Prana 12, zomer 1978, toekomstnummer. Uitgever: Ankh-Hermes Deventer.

Schrijver: W. H. Gmelig Meyling

Een stad in de 24e eeuw.

Jules Verne's visie op de krant in de 29e eeuw ging uit van een gedegen studie van de in zijn tijd gegeven mogelijkheden. Een enkele maal wordt evenwel ook een realistisch beeld van een toekomstige mogelijkheid verkregen in een visioen. Een kras voorbeeld vinden we in het 16e eeuwse verhaal Voyage … la lune van Cyrano de Bergerac ( de historische Cyrano, niet te verwarren met de gefingeerde held uit het gelijknamige toneelstuk van Rostand ). In die roman wordt een apparaat beschreven dat onder de maanmensen in zwang blijkt, en waarbij menselijke stemmen hoorbaar worden uit een draaiende plaat waarover een naald loopt. Daarmee is drie eeuwen voor Edsion's vinding de grammfoon herkenbaar beschreven. Hieronder een visioen waarin de bekende Nederlandse genezer Gmelig Meyling tijdens een trance vier eeuwen in de tijd vooruit reist. Het verslag daarvan werdt kort voor zijn dood ( in 1975 ) aan de uitgever van dit blad terhand gesteld. Men leze het zoals men wil: als een toekomstvisioen of als een fantasie. Deze uittreding heb ik zo uitvoerig kunnen vastleggen omdat ik er zulke scherpe herinneringen aan heb bewaard. Tijdens de wonderbaarlijke reis, die ik maakte, deed ik een groot aantal ervaringen op. Sommige kon ik min of meer verklaren, andere bleven een mysterie aangezien ik er niet in slaagde de werkelijke betekenis ervan te doorgronden. De indrukken die ik verzamelde , waren moeilijk te verwerken. Immers, de uittreding voerde mij naar een stad hier op aarde ruim 400 jaar in de toekomst. Ik dwaalde er rond terwijl mijn lichaam op de operatietafel van een ziekenhuis lag. Interessant is dat ik reeds onderweg was voordat de narcose werd toegediend. Ik zag de narcotiseur met een injectiespuit in zijn hand bij mij staan. Maar de prik, van de naald, in mijn arm heb ik niet meer bewust beleefd. Kort voor ik onder narcose werd gebracht, zag ik plotseling mijn controle, die zich "Trivona"noemt, naast me staan. Hij vertelde me dat het beter voor me was indien ik tijdens de bedwelming mijn lichaam zou verlaten. Ik werd me bewust van een eigenaardig zwevend gevoel dat bijzonder aangenaam was. Ik nam aan dat dit zweven was ontstaan als gevolg van de verdoving. Wat er op dat moment met mijn lichaam gebeurde, wist ik niet. Trivona adviseerde me niet al te veel aan de operatie te denken aangezien ik iets ging beleven dat heel wat prettiger was dan de chirurgische handelingen die op mijn slapend lichaam werden verricht.Ik kreeg de opdracht tijdens de uittreding, die nu zou gaan volgen, bijzonder waakzaam te zijn omdat ik dingen zou gaan beleven die niet in het "nu"gebeurden, maar pas over enkele honderden jaren hier op aarde zouden plaats hebben. Er werd me tevens aangeraden ditmaal niet te experimenteren, hetgeen ik tijdens andere uittredingen altijd wel mocht doen. Experimenten zouden tot gevolg kunnen hebben dat ik te vroeg in mijn lichaam terugkeerde, iets dat onder deze omstandigheden bijzonder onaangename gevolgen zou kunnen hebben. Ik nam deze raad uiteraard dan ook ter harte en aanvaardde de gebeurtenissen zoals die op me afkwamen zonder er zelf invloed op uit te oefenen. Het aangenaam zweven bleef. Toen kreeg ik het gevoel dat ik zeer snel verpplaatst werd naar een ver verwijderd gebied. Trivona, die mij vergezelde, vertelde dat de afstand, die we qua ruimte aflegden, niet bijster groot was, maar dat er wel in de tijd een enorme afstand werd overbrugd. Er zouden namelijk enekele honderden jaren liggen tussen het "nu"en de beelden die ik ging waarnemen. Vanaf dat ogenblik begonnen de indrukken met een enorme snelheid op mij af te komen. Toen ging ook de tijd verschuiven. Ik stond ineens op een bijzonder groot platform - enige honderden meters in het vierkant - waarop, als auto's op een parkeerterrein, een groot aantal wonderlijke voertuigen stonden opgesteld. Ze hadden de vorm van raketten. De romp, die glansde als metaal, was ongeveer zes meter lang. Er waren geen raampjes te zien. Ik vroeg me af hoe ik ooit iets van mijn omgeving zou kunnen waarnemen als ik in een van die toestellen plaats moest nemen. Alleen aan de voorkant bevond zich een rond venster - waarschijnlijk van de cockpit - dat net als de lens van een fotocamera uit het apparaat stak. Het glas of wat dat ook mocht zijn, was niet doorzichtig. Ieder voertuig was voorzien van een wit teken. Het waren geen nummers, maar vreemde lettertekens. Tussen de honderden raketten, die strak in het gelid stonden, bevond zich er een met een fel oranje teken. Trivona begaf zich daarheen en beduidde me dat ik in dat toestel moest plaatsnemen. Een bepaald gedeelte van de cockpit van het voertuigkon worden opengedraaid en op aanwijzingen ging ik achterin in een stoel zittendie zo op het eerste gezicht van plastic leek gemaakt maar bij een nader onderzoek uit een heel dunne plaat bestond, een stof die geen geluid of trilling veroorzaakte als je ermee in aanraking kwam en ongelooflijk hard aanvoelde. De stoel omsloot me bijna geheel en gaf tot hoog in de rug steun. Toe ik eenmaal zat, gaf Trivona, die zich buiten het voertuig bevond, een waarschuwing, die ik beslist niet in de wind mocht slaan. Indien er tijdens de komende vlucht een zwarte wolk voor het toestel mocht opdoemen, moest ik alles in het werk stellen daar niet in terecht te komen aangezien er dan een gevaarlijke situatie zou kunnen ontstaan. Ik vroeg hem hoe ik erlangs zou moeten komen en hij wees op drie rode toetsenop het instrumentenpaneel voor mij. "Als je die wolk niet kan ontwijken, druk je eerst de lichtrode toets in," zei hij, "daarna de tweede, iets donkerder van kleur en vervolgens heel snel de donkerrode. Verder hoef je dan niets meer te doen. Ik neem de zaak wel over als dat nodig mocht zijn." Begrijpen deed ik er niet veel van, hoewel ik me heel goed realiseerde dat deze aanwijzingen belangrijk waren. Trivona vertelede me tenslotte dat alle handelingen, die nodig zouden zijn om dit vreemde toestel te besturen, vanzelf in mijn denken zouden opkomen. Eerst nu kon ik aandacht besteden aan het interieur van het ruimteschip. Voor me was een paneel met honderden knopjes en lampjes. Daar bevonden zich ook de rode toetsen - iets kleiner dan die van een piano - waarop Trivona had gewezen. Voor in het vaartuig bevond zich een rond venster waardoor je een goed uitzicht op het platform had. Nu drong het pas tot me door dat ik de omgeving ook duidelijk door de wanden van het toetsel kon waarnemen. Het bovenste deel van de koepel - die zich op het achterste gedeelte van het ruimteschip bevond - werd kennelijk gesteund door enige dwars gespannen draden, die hooguit drie millimeter in doorsnee waren en metaalachtig glommen. Nieuwsgierig als ik was, raakte ik deze bedrading aan. Het voelde aan als metaal, leek een soort superstaal waarin geen beweging was te krijgen hoe dun het ook was. Terwijl ik dit alles in me opnam, was ik me volkomen bewust van het feit dat mijn lichaam een onplezierige behandeling onderging. Soms bekroop me de lust even te gaan kijken hoever de chirurg was gevorderd. Ik heb dat toch maar niet gedaan, bang als ik was de uittreding te verstoren. Ik ging verder met mijn onderzoek. Onder in de capsule was een deel van de aandriijving te zien, een soort kistje dat zo'n 20 cm hoog, 50 cm breed en 60 cm lang was en waaruit vier straalpijpen staken. Deze pijpen waren ongeveer zes centimeter in doorsnee en voorzien van een opvallend dikke laag metaal. De wand was circa ‚‚n centimeter dik. "Het motorcompartiment" was precies onder het schakelbord aangebracht. De straalpijpen zaten buiten, onder aan het toestel. Daar waren ook twee metalen sledevormige constructies aangebracht. Later zou ik ervaren dat het materiaal van deze sleden, die dun en lang waren, ongelooflijk sterk moest zijn. Zowel bij de start , als bij het afremmen tijdens de landing, kregen deze "rails" grote spanningen te verwerken. Plotseling, omringd door al deze vreemde zaken, voelde ik pure angst. Ik vroeg me afwat ik met dit alles moest beginnen. Ik begreep er helemaal niets van. Vol verwarde gedachten liet ik mijn blik nog eens over het instrumentenpaneel glijden. Toen zag ik iets dat ik nog niet eerder had waargenomen: een klein rond metalen plaatje, dat blauwachtig glansde. Het had een doorsnee van ongeveer vijf centimer. Er waren tientallen ronde gaatjes in aangebracht. Juist toen ik dacht wat de betekenis ervan kon zijn, klonk een volkomen onpersoonlijke, haast mechanische, stem, die duideliijk maakte welek knoppen moesten worden ingedrukt om de raket te starten. Op aanwijzingen van die stem gingen mijn vingers, steeds met een pauze van drie seconden, langs de eerste vijf knoppen. Ik werd opgeschrikt door een hevige trilling.Nu gaat het mis schoot het door me heen. Niets was minder waar. Verschillende lampjes flitsten aan. Toen ik zijwaarts keek, schrok ik pas goed. Naar schatting bevond ik me reeds op een hoogte van zo'n twee honderd meter. Alles trilde en een blazend, sissend geluid was duidlijk hoorbaar. De onpersoonlijke stem, die uit een verre ruimte leek te komen, deelde mee dat ik de volgende drie knoppen moest indrukken. Ik deed dat, maar helemaal vrij van angst was ik niet. Toch had ik een punt in mijn denken bereikt dat ik vertrouwde op een goede afloop. Maar erg zeker was ik niet van mezelf. Nadat ik de knoppen had ingedrukt, werd het ineens heel stil in het voertuig, dat ik maar mijn ruimteschip zal noemen. Groot was mijn verwondering toen ik ontdekte dat ik al zeer hoog boven het aardoppervlak zweefde en met toenemende snelheid steeds hoger steeg. Ik was erg blij toen uit het ronde plaatje voor mij op het schakelbord ineens glashelder de vertrouwde stem van mijn controle, Trivona, tot mij sprak. Hij vertelde me dat beneden met mijn lichaam alles naar wens verliep. Wat ik van nu af aan te zien zou krijgen, moest ik maar goed in me opnemen. Hij zei: "Dit gebeuren zal niet dikwijls worden beleefd door een mens die zich nog op aarde bevindt." De absolute stilte verbaasde me. Ik werd er geheel door omsloten. Er was voor niets anders ruimte. Geen trilling was voelbaar. Maar ik begreep dat een enorme energie mij voortstuwde door een onvoorstelbare ruimte. De aarde werd steeds kleiner. Verschillende sterren en werelden zag ik op me afkomen om even later achter mij in het onmetelijke niets te verdwijnen. Plotseling bemerkte ik dat ik regelrecht naar een steed groter wordende en voor mij onbekende planeet toesnelde. Mijn angst groeide ook snel. Toen was er weer die onpersoonlijke, mechanische stem. Ik moest twee knoppen rechts boven op het paneel indrukken. Een wonder gebeurde. Vanaf dat moment wist ik wat ik moest doen om het ruimteschip te besturen. Er volgdnen al gauw weer spannende momenten. In zeer korte tijd moest ik een grote reeks handelingen verrichten. Het voertuig begon te schudden en te trillen. De stem zei dat we de tijdhadden verlaten en ons verplaatsten in een situatie die ongeveer 400 jaar van het "nu" op aarde was verwijderd. Weer kwam er een werled op mij af. Ik wist van binnenuit dat het mijn eigen wereld was, de aarde waarnaar ik terugkeerd. Ik moest nu een van de onderste knoppen rechts op het paneel indrukken. Toen volgden er snel achter elkaar een aantla instructies die ik zo goed mogelijk probeerde uit te voeren. Voordat ik het me duidelijk realiseerde, stond het ruimteschip midden op een plein in een grote stad. Ik was geland op aarde en wist dat ik me hier zo'n vierhonderd jaar verder in de tijd bevond. Een idee waaraan ik nog wel even moest wennen. Veel van hetgeen ik in deze stad meemaakte, kon ik niet begrijpen en misschien mocht ik dat ook nog niet begrijpen. Wel was het me duidelijk dat ik nog niet toe was aan de dingen die ik niet begreep en alleen die zaken kon doorgronden die verwerkt konden worden. Ik zag een stad zoals deze nu nog niet op aarde bestaat. Hij zal er ooit eens zijn op deze planeet waarop we nu leven. Wat mij direct in deze stad opviel, was het feit dat er in de gebouwen veel van dat wonderlijke materiaal was verwerkt dat ik ook in het ruitmeschip was tegengekomen. Het leek op staal, maar was oneindig veel sterker. Hoge bouwwerken bestonden uit een constructie van balkjes, naar schatting vijf bij vijf centimeter, waartussen muren waren opgetrokken die van buitenaf van glanzend metaal leken maar van binnenuit doorzichtig waren als glas. Toen ik met mijn vuist tegen zo'n wand - die hooguit twee millemeter dik was - sloeg, hoorde ik niets. Ieder geluid scheen door het materiaal te worden geabsorbeerd. Er was hoegenaamd ook geen beweging in zo'n muur te krijgen. Zonder enige tussensteun zag ik muurvlakken van vijf bij drie meter. Ook als ik tegen dit materiaal trapte, was er niets te horen, geen trilling waarneenbaar. In deze gebouwen drong ook geen enkel geluid van buiten door. Er heerste een intense stilte zonder dat een gevoel van verlatenheid je overviel. Het verbaasde me dat ik nergens in de huizen verlichting zag. Eerst later, bij avond, ontdekte ik dat er geen centrale verlichtingspunten in de woningen waren maar wel straalde er in de verschillende wooncompartimenten op mysterieuze wijze een zeer mooi gelijkmatig licht. Het was alsof de wanden en plafonds fluoresceerden. De intensiteit was kennellijk regelbaar, aangezien de enen ruimte zeer spaarzaam, de andere helder verlicht werd. Deze gebouwen, meestal fraaie architectonische creaties, hadden alle ‚‚n ding gemeen: de daken vertoonden vrijwel dezelfde hellingshoek en waren geconstrueerd in de meest gunstige positie ten opzichte van de zon. Metalen schermen, samengesteld uit spiegelend materiaal, stonden overal in licht gebogen posities op daken. Ik begreep dat dit een manier was om gebruik te maken van zonne‰nergie. Niet alleen aan de zonzijde maar ook aan de andere kant stonden grote, glanzende platen opgesteld, waarschijnlijk om ook het normale daglicht in energie om te zetten. Hoe deze energie gebundeld en vastgehouden werd, bleef voor mij een raadsel. Omvangrijke elektronische apparatuur nam ik nergens op de daken waar, ook geen net van kabels en draden, hooguit een enkele, zeer dunne draad die de zonnespiegels met elkaar verbond en die door het dak naar binnen werd gevoerd. Er liep door het bebouwde gedeelte van deze wonderbaarlijke stad een vrij brede rivier, waarover zich een brug, in een licht gebogen vorm, spande. Het dek was niet dikker dan tien centimeter en bestond uit de reeds eerder beschreven metalen platen. Pijlers waren nergens te zien ofschoon de oevers tussen de honderd en honderdvijftig meter van elkaar lagen. De brugleuning bestond uit vierkante staafjes metaal van een halve bij een halve centimeter met daartussen een net van gevlochten draad. Hoewel deze draad hooguit een mm dik was, boog het niet door, ook al leunde ik er zwaar tegen. Ik was in de gelegenheid de fabriek te bezoeken waar dit vreemde materiaal, een soort superstaal dat ik overal in de stad tegenkwam, werd vervaardigd. Ik had mij reeds verscheidene malen afgevraagd hoe bijvoorbeeld deuropeningen in dit zeer harde materiaal werden uitgespaard. Ik kon mij namelijk niet voorstellen dat er uit een hele plaat zomaar een deel kon worden verwijderd daar dit materiaal mij te hard leek om te kunnen worden bewerkt. In de strakke fabrieksruimte, die opviel door ordelijkheid en netheid, zag ik dat alle gaten en openingen met een scherp mes uit het materiaal werden gesneden. Dit was mogelijk omdat de platen nog niet gehard waren. Het materiaal zat op grote rollen zie zo'n vijf   zes meter breed waren. Het had wel iets weg van lood maar was dat beslist niet. Een stuk van dit materiaal, ongeveer een meter in het vierkant, was namelijk ongelooflijk licht en kon met twee vingers worden vastgehouden. Als het van de rollen kwam, zat het vol deukjes en oneffenheden. Nadat het door een zware wals was gepolijst, werd het op een harde ondergrond vlak neergelegd en schoof het op een loopende band naar een ander deel van de fabriek om daar verder te worden behandeld. Op gemakkelijke wijze werden daar in de platen bijvoorbeeld deuropeningen uitgesneden. Het materiaal liet zich bewerken als dik papier. Op het deksel van de oven waren ogeveer 40 "halve bollen" gemonteerd waarop zich een soort isolatoren bevonden. Deze zagen eruit als grote kralen - de doorsnee bedroeg plus minus 10 cm - waar dunne draden doorheen liepen naar een rail enige meters boven de vloer. Als zo'n oven werd aangezet, moesten alle aanwezigen de ruimte veralten en werden metalen schuifdeuren gesloten. Toch duurde de bestraling van de platen niet langer dan 10 minuten. Een sterk lichtschijnsel drong door de wand en scheen uit de oven te komen. Het wisselde sterk van kleur en was doorweven van heldere vonken die net sterren leken. Het was een prachtig schouwspel dat ik niet snel zou vergeten. Later kreeg ik te horen dat in deze platte ovens wel 10 of meer platen tegelijk konden worden bewerkt. Nadat ze waren afgekoeld, lagen ze los op elkaar, de dikte van iedere plaat: plus minus een halve mm. Het proces van afkoelen nam ongeveer een dag in beslag gemten naar aardse tijd. Ik kreeg niet de indruk dat deze tijd uitsluitend nodig was voor het afkoelen van de platen, maar dat ook de gevolgen van de mij onbekende bestraling moesten verdwijnen. Dit was geen radio-activiteit, want daar zou naar onze begrippen een veel langere periode mee gemoeid zijn om de schadelijke werking te niet te doen. De mensen die in deze fabriek werkten waren gekleed in zeer soepele werkpakken die nauw om het lichaam sloten. Deze kleding glansde mat blauw, leek van metaal en diende als bescherming tegen de straling van de ovens. Zij konden zich vrij en soepel bewegen, zonder enige belemmering. Een saillant detail was dat ik deze mensen wel kon waarnemen maar zij mij niet. Ze liepen zelfs dwars door mij heen met hun instrumenten zonder iets van mijn aanwezigheid te ervaren. Eerst dacht ik dat ik alleen door de wanden van de fabriek heen kon kijken. Later werd me echter duidelijk dat deze mensen, die in een tijd leefden ons ver vooruit, daar ook geen moeite mee hadden. Het had dus niets met mijn helderziendheid uit te staan wel met het materiaal waaruit de wanden vervaardigd waren. De wanden waren gewoon doorzichtig. Na het bezichtigen van de fabriek, ging ik de stad in om ook daar eens een kijkje te gaan nemen. Dat wandelingetje viel niet mee. De lucht deed zwaar en dik aan en bood weerstand. Er overviel me een gevoel van grote vermoeidheid. Maar ik zette door, want ik wilde zoveel mogelijk zien, en trachten te begrijpen, hetgeen dikwijls heel moeilijk was. Zo wist ik bijvoorbeeld geen raad met de voorwerpen die ik tussen de huizen aantrof. Ze zagen eruit als enorme metalen trechters, die op een soort doos waren bevestigd. In het begin nam ik aan dat ze dienden voor het opvangen van regenwater. Naderhand vertelde Trivona dat door de trechters de lucht naar binnen werd gezogen om die door de sleuven in het voetstuk van de toestellen in gezuiverde vorm naar buiten te werken. De lucht, die zo weer vrij kwam, bevatte een zeer hoog zuurstofgehalte. Deze apparaten namen de werking van bomen en planten als luchtfilters over. Toch waren er wel planten en heesters en zelfs veel bloemen, bossen zag ik niet maar ik nam ook maar een zeer beperkt deel van de stad waar. De stad maakte een zeer propere indruk. Nergens lag afval, rommel of modder. Alles was schoon intens schoon. Het aantal mensen was geringer dan ik mij had voorgesteld te midden van de hoge bebouwing. Ik zag ook weinig kinderen, maar ik nam natuurlijk zeer plaatselijk waar en werd beperkt door de overweldigende hoeveelheid indrukken die op me afkwamen en die haast niet te verwerken waren. Tijdens zulke ogenblikken was ik dankbaar dat ik de mensen kon zien en zij mij niet. Enerzijds omdat ik nu geen energie hoefde te besteden om mensen te woord te staan, anderzijds omdat ik in de gelegenheid was hen van zeer nabij te bestuderen. Het viel me op dat de vrouwen weinig sieraden droegen. Hooguit zag je een enkele ring van een goudachtig metaal, ingelegd met steentjes, om een vinger, halzen en kleding bleven verstoken van enig edelmetaal of gesteente. Noch de mannen noch de vrouwen droegen trouwringen. Toch bleken verschillende als paar bij elkaar te horen. Trivona vertelde dat dit waarschijnlijk was toe te schrijven aan het feit dat er geen huwelijken meer waren zoals wij die als instituut in het "nu" nog kennen. Welke vorm de bekrachtiging van een relatie tussen man en vrouw hier had aangenomen, werd me niet duidelijk. Ik kreeg sterk het gevoel dat ik dit nog niet mocht weten. Wat mij wel duidelijk werd was dat de onderlinge relatie een uitgesproken "man-vrouw verhouding" was zoals we die ook hier kennen. Jonge mensen flirten met elkaar en konden elkaar op een uitgesproken verliefde manier aankijken. Volgens mij verschilden hun gevoelens niet veel van die van jonge mensen in onze tijd. Maar ik sluit niet uit dat ik me vergiste, want niets is moeilijker dan het beoordelen van emoties en gevoelens. Opvallend was dat ik verschillende mensen ontmoette die een zeer hoge leeftijd hadden bereikt. Trivona vertelde me naderhand desgewenst dat de gemiddelde leeftijdsgrens inderdaad in die tijd enkele tientallen jaren hoger lag. Toen ik vroeg of dit het geluk van de mensen ten goede was gekomen, lachte mijn controle. "Je kunt dat in het "nu" niet beoordelen," zei hij. "Er is in die latere tijd langs geleidelijke weg zoveel zoveel veranderd dat onze norm voor geluk niet meer als maatstaf kan dienen voor deze mensen." Zelf meende ik met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te kunnen vaststellen dat er in het bewustzijn van deze mensen een verruiming was opgetreden die zich in een harmonieuze en evenwichtige levenshouding manifesteerde. Moeillijk te beschrijven is hoe de stof aanvoelde waarvan de kleding van deze mensen was gemaakt. Deze kleding was nauwsluitend, hetgeen huun lichaamsvormen goed deed uitkomen. Ik zag dat ze onder de bovenkleding zeer dun ondergoed droegen. Maar een jas of mantel, zoals wij die kennen om ons tegen kou te beschermen, kon ik nergens ontdekken. Later kwam ik erachter dat deze kleding zowel tegen warmte las koude de nodige weerstand bood. De stof deed denken aan de ons bekende textiel, maar had geen bloempatronen, streepjes of andere motieven. De kleuren waren in het algemeen sterk contrasterend. In het bijzonder de kleine schoudercapes, die vooral door mannen werden gebruikt en over het hoofd geslagen konden worden waren opvallend mooi van kleur. Ze waren diepblauw, donkerrood of purper en leken op mat glanzend metaal als het licht erop viel. Ik veronderstelde dat de kleuren van deze capes correspondeerden met behaalde wetenschappelijke graden die op zich geen aanduiding voor geestelijke ontwikkeling inhielden. Het haar van zowel jongens als mannen was meestal zeer kort. Baarden en snorren leken afgeschaft, want die zag ik nergens. Bij de meisjes en vrouwen was het haar doorgaans strak naar achteren gekamd. Velen droegen een mooi bewerkte metalen band om het haar en over het voorhoofd. Deze banden waren kunstwerken. Ik zag voor mij onbekende motieven die leken op door elkaar gevlochten lettertekens, op sommige banden waren slangen afgebeeld en eenmaal zag ik zelfs een Isis-sleutel of hengelkruis. Deze motieven waren altijd in het midden aangebracht op de plaats waar wij het voorhoofdchakra weten. De hoofdbanden waren gemaakt van een goudglanzend metaal en er straalde een diepe geelrode gloed af. De motieven waren meestal van een glanzend zilverkleurig metaal. De kleine ornamenten vertoonden echter een blauwe glans die prachtig contrasteerde met de goudkleurige ondergrond. Ook hiervan begreep ik niet alles. Zo werd me ook niet de bedoeling duidelijk van een goudkleurige metalen kap, versierd met microscopisch kleine ornamenten en op diverse plaatsen ingelegd met een stalend blauw metaal, die het hoofd van een jonge vrouw geheel omsloot. De mensen rond deze vrouw toonden een groot respect voor haar. Er straalde een intense goedheid van haar uit. Ik vermoedde dat zij een priesteres was, iemand die wat geestelijke ontwikkeling betrof op een hoger niveau dan haar medemensen stond. Van binneuuit wist ik dat zij uit de kosmische ruimte was gekomen om degenen die daarvoor open stonden iets van haar wijsheid mede te delen. De kleding die zij droeg was ook anders dan die van anderen. Ze was voorzien van een zilveren schoudercape en een kunstig bewerkte ceintuur, waarin kleine blauwe edelstenen waren aangebracht. De sluiting bestond uit een "oog" dat scheen te leven en te zien en was middenvoor bevestigd. De mensen hadden ter hoogte van de hartstreek een klein rond of ovaal plaatje dat was bewerkt met zeer kleine lettertekens die iets van doen hadden met de gezondheidstoestand van de drager. Toch bleek dit slechts een bijkomstigheid te zijn. De essentie van deze plaatjes was de lichtglans die in donkere ruimten voorwerpen tot op enige meters afstand zichtbaar maakten. Het licht waarmee de voorwerpen werden omgeven leek van binnenuit te komen. Jammer genoeg was ik niet in staat de energiebron van dit schijnsel te doorgronden. Ik vroeg me af waarom alleen de heren met dergelijke "lichtplaatjes" waren uitgerust en de dames niet. Maar ook zij bezaten zo'n lichtbron. Alleen bevond die zich in de metalen hoofdband. De versiering die daarin waren aangebracht bleken in het duister een licht te verspreiden waardoor de nabije omgeving duidelijk kon worden onderscheiden. Oneeindig veel meer zou ik nog kunnen schrijven over datgene wat ik mocht waarnemen. Maar ik ben me bewust dat het slechts een schets zal blijven. Een schets die in journalistiek opzicht onvolmaakt en onvolledig is. Immers, het verwoordt een gebeuren dat door het menselijk denken zo moeilijk is te begrijpen. Toch heb ik geen spijt van mijn pogen iets over deze uittreding te vertellen. Hoe beperkt mijn waarnemingen ook waren, toch weet ik dat ik ver, heel ver in de tijd voorbij het nu heb mogen zien. In mijn hart is de wens geboren om eens de priesteres, die uit de kosmische ruimte kwam, te mogen verstaan en Haar kennis te mogen begrijpen als een deel van mijn eigen denken. Deze priesteres, die overigens de enige in die hele stad was die mij kon waarnemen, bewoog zich gewoon tussen de mensen. Ze bracht een heel mooie gedachte over die ik plotseling van binnenuit kon verstaan. "Ik heb U geroepen tot mij te komen en u hebt dat verstaan," sprak ze in gedachten tot mij. "Ik heb u gewenkt naderbij te komen en u kwam. U vroeg kracht voor uw lichaam en die heb ik u gegeven. Kracht die ik zelf gekregen en meegenomen heb van mijn wereld ver voorbij het 'nu'. Uw voeten vinden steun in het eeuwige 'nu' op de aarde, mijn steun zijn de nevelen van het kosmisch denken. Beide kennen wiij werelden doe voor en na dat eeuwige 'nu' bestaan. Ik ken de vele teleurstellingen die u hebt doorgemaakt. U riep velen, slechts enkelen kwamen. U bracht een boodschap zoals u dat zult blijven doen. Slechts enkelen verstonden datgene wat u te zeggen had. U herkende velen die u ontmoette, enkelen herkenden u, zoals u mij herkend heeft uit een onuitsprekelijk lange periode terug. U zag een deel van mijn leven in mijn Egyptische periode, zoals ik weet dat Tibet de tuin voor — is waar u rust kunt vinden. Dat zie ik aan uw kleding." Ik liet mijn blik langs mijn lichaam glijden en ontdekte dat ik in het Tibetaanse monnikskleed was gehuld. De oranjerode gloed weerkaatste in haar helm en gaf deze een wondermooie glans. Haar ogen flonkerden als sterren. Zij kruiste de handen. In de ene hield zij een korte gouden staf, in de andere een zweep met een gouden handvat. Zij leek op een Farao en ik begreep de taal van de symboliek die zij hiermee uitdrukte. Ik voelde dat het moment van afscheid was aangebroken en bracht, zonder erbij na te denken, de Tibetaanse groet. "Zij" sloot haar ogen, boog het hoofd en hief haar handen ter hoogte van haar schouders, zodat ik de binnenkant van haar handen met de slanke, gestrekte vingers kon zien en begreep hieruit dat de brug, die ons voor een kort beleven over de tijd heen had gevoerd, werd opgetrokken. Ook ik sloot de ogen en toen ik deze weer opende, was alles verdwenen; geen priesteres, geen mensen, maar wel de stad, echter een heel ander deel. De plaats waar ik me nu bevond, leek een groot verkeersplein waar 4 wegen op uitkwamen. Ik zal trachten iets te vertellen over de voertuigen die ik waarnam, zowel op de weg als in de lucht. Onmiddelijk viel me op dat het wegdek bestond uit zeer dunnen stalen platen met een ruw oppervlak, waarin geen oneffenheid te bespeuren was. Ik bezocht een plaats waar ze bezig waren deze platen aan elkaar te voegen. Dit gebeurde eveneens door straling, zoals in de fabriek. Er kwam ook een soort oven aan te pas, maar kleiner - 3 meter breed en zonder bodem - als degene die ik eerder heb beschreven. Dit appraat werd op de linker weghelft geplaatst. Nadat de werklieden zich ongeveer 30 meter ervan hadden verwijderd, werd de energie ingeschakeld. Ook nu, bij helder daglicht, zag ik dezelfde mysterieuze gloed die deze kleine oven uitstraalde en bewogen zich heldere vonken als sterren door de ruimte. Na enige minuten werd de machine uitgeschakeld, met lange metalen haken naar de andere weghelft gesleept waar hetzelfde proces opnieuw begon. Nadat ook hier de oven weer was weggehaald, viel er geen naad of las te bekennen en het leek wel of de weg uit een stuk was gemaakt. Over deze weg bewogen zich wonderlijke voertuigen voort zoals ik nog nooit had gezien. Ze waren langer dan de auto's die wij kennen, hadden geen wielen maar rustten op metalen sleden die onder het hele voertuig doorliepen. Er zaten wel 12 kleine ramen naast elkaar. De cabine was cilindervormig . De reizigers stapten zowel aan de voor als achterzijde in en uit. De voor en achterkant waren precies gelijk. Aan beide uiteinden van de cabine was een metalen zilverglanzende plaat te zien van ongeveer 40 bij 80 centimeter. Eerst verkeerde ik in de veronderstelling dat het een soort bumper was, maar dat bleek onjuist. Bij avond en nacht ging hier een straling vanuit die om de plaat zelf niet waarneembaar was, maar wel het wegdek zeker over vijftien meter helder verlichtte zonder enig verblindingseffect. Deze voertuigen konden een vrij hoge snelheid ontwikkelen. Van motorlawaai en uitlaatgassen was niets te bespeuren. Het leek net of deze voertuigen als een stuk metaal door een enorme magneet over het wegdek werden voortgetrokken. Maar wat de werkelijke bron van voortstuwing was, begreep ik niet. Wellicht werden magnetische krachtvelden gebruikt, maar ik sluit de mogelijkheid niet uit dat er andere krachten werden toegevoegd. Zodra twee voertuigen elkaar met grote snelheid naderden en zich beide teveel op het midden van de weg bevonden, was het alsof zij door eeen onzichtbare kracht uit elkaar werden gedreven om elkaar dan op ruime afstand te passeren. Ik heb wel gezien dat deze voertuigen door iemand werden bestuurd, maar geheel tegen mijn gevoel in zat deze bestuurder of wat zijn functie ook mocht zijn, geheel achterin en scheen van daaruit toch alles goed te kunnen overzien. Later vernam ik van Trivona dat deze voertuigen nooit tegen elkaar konden botsen aangezien de platen die voor het licht zorgden elkaar tevens afstootten. Dit gold voor een voorste plaat ten opzichte van een achterste plaat van het andere voertuig. Hoe dichter ze bij elkaar kwamen hoe groter het remmend effect werd. Een totale stilstand werd steeds bereikt met ongeveer anderhalve meter tussenruimte. Bij het verkeersplein ontstond een situatie waarin twee voertuigen elkaar te dicht naderden en met elkaar in botsing zouden komen indien ze beide hun weg in dezelfde richting zouden blijven vervolgen. Het achterste voertuig dat steeds meer op het voorste inliep, week plotseling uit, vertraagde de snelheid tot er tussen beide voertuigen een afstand van ongeveer 20 meter was bereikt, waarna ze beide weer met normale snelheid verder gingen. Ook hier viel het me weer op dat er bij deze voertuigen meer sprake was van een "drijvend" voortbewegen dan rijdend. Ook onder de grond bewogen zich soortgelijke voertuigen. Ze bewogen zich voort door tunnels, waren eveneens voorzien van metalen sleden, die over twee dicht naast elkaar liggende rails werden geleid. Die tunnels deden mij denken aan de metro in Parijs, maar de voertuigen die hier onder de grond voortijlden, behaalden snelheden vale malen hoger dan de metrotreinen van nu. Opvallend was dat lawaai er vrijwel ontbrak, er was alleen het suizen van de lucht die door de voertuigen werd verplaatst. In de hemel boven de stad vlogen toestellen die niets gemeen hadden met de vliegtuigen zoals wij die kennen. Ze hadden geheel andere vormen. Geluid van motoren was er niet te horen. Deze toestellen waren net grote metalen cilinders met aan weerszijden uitbouwsels, die tezamen een cirkel vormden. Waarschijnlijk waren dat de motoren. Zekerheid kom ik hierover niet krijgen omdat deze toestellen zich op grote hoogten bevonden. Het is ook goed mogelijk dat ik ze niet nabij mocht zien. Terwijl ik geconcentreerd naar die toestellen daar hoog boven me stond te kijken, klonk uit de ruimte een stem die verzocht enige seconden de ogen te sluiten. Toen ik die weer opende zag ik mij verplaatst naar de plek waar mijn ruimtevoertuig stond, het toestel dat mij naar deze wonderlijke wereld ver voorbij het "nu" had gebracht. Ik nam erin plaats en sloot de bovenste kap. Nauwelijks had ik dit gedaan of ik hoorde De Stem die mij opdracht gaf enige knoppen links op het schakelpaneel in te drukken. Ik onderging dezelfde gewaarwording als bij het vertrek van de "aarde". Zonder geluid, maar even sterk trillend kwam er plotseling beweging in mijn voertuig en binnen enkele seconden werd ik met grote snelheid de ruimte ingestuwd. De wereld die ik achter liet, vervaagde in wazige verten. Een onvoorstelbaar schoon gebied openbaarde zich. Ik passeerde talrijke planeten en sterren. Eenmaal meende ik buiten de cabine het schone gelaat van de Priesteres te aanschouwen. Maar het ging zo snel voorbij dat het een beeld uit een droom leek, onwaarschijnlijk mooi en sereen. Het uitspansel was purper. Ik voelde mij behaaglijk moe, maar deze reis had mijn hele wezen vernieuwd. Voor mij, zeer ver weg, ontwaarde ik een donkere stip die snel groter werd. Deze leek wel een tunnel die de eeuwige ruimte scheen te doorkruisen en naar een onbekend doel voerde. Met een enorme snelheid naderde ik de ingang van de tunnel en schoot naar binnen. Om me heen begon alles te trillen en voor het eerst hoorde ik een enorm knallend een sissend lawaai. Ook voelde ik dat de snelheid terugliep. Toen gebeurde het. Voor me werd het steeds donkerder alsof een zwarte wolk dreigend naderbij kwam. Ik dacht direct aan de opdracht die ik in het begin van de reis had gekregen om bij nadering van een dergelijke wolk de rode toets in te drukken. Ik werd met angst vervuld en drukte de knop in. Het was net of het remmen sterk toenam. Toen hoorde ik de stem van Trivona die gelastte nu snel achter elkaar de laatste twee rode knoppen in te drukken. Deze opdracht voerde ik uit en het wonderlijke was dat ik in de tijd van het "nu" terugkwam. In mijn oren klonk het geluid van over elkaar schurend materiaal en voor zoveel lawaai sloot ik mijn ogen en dacht: nu gaat alles mis. Maar na enige ogenblikken werden deze geluiden minder; stilte kwam ervoor in de plaats. Even hoorde ik nog het metaalachtige geluid; toen pas zag ik alles duidelijk zoals de klok waar ik recht tegenover lag en die nu 16.37 aanwees. Er boog zich een verpleegster over mij heen. Ze lachte en vroeg of ik haar al zag. Ik bevestigde dat en zei dat ik al goed wakker was. "U hebt donker haar, een groene jurk aan en u draagt een gouden kruisje." Het moet me nog van het hart dat het gouden kruisje grof afstak vergeleken bij het sieraad dat de "Priesteres" droeg. Maar vergelijken mogen wij nu eenamaal niet. Ieder ding moeten wij zijn waarde geven zoals zich dat in het "nu" aan ons voordoet. Direct na mijn snelle ontwaken besloot ik deze uittreding uitvoerig op papier te zetten. Er zullen mensen zijn die erom lachen, anderen zullen denken dat het allemaal fantasie is of grote onzin. Voor mij was het echter een werkelijkheid, re‰ler dan enige ervaring uit mijn leven in het "nu". Misschien zijn verschillende beelden een creatie van mijn eigen denken. Misschien overheerste de fantasie, gestimuleerd door de narcose. Ook is het mogelijk dat er een waarheid in verborgen ligt die wij mensen nog niet kunnen begrijpen. De schoonheid van de kosmische ruimte, het onvergetelijke beeld van de "Priesteres", voor mij maakte dat deel uit van een meer-demensionaal beleven. Dank aan ieder woord dat tot mij geklonken heeft. Dank aan hen die mij geleid hebben en ook dank aan degenen die de zorg voor mijn lichaam op zich hadden genomen. En dan nog een laatste groet aan "Haar", die ik nooit zal vergeten, niet in haar gedaante als vrouw, maar als de "Priesteres der kosmische ruimte".